Het Miedenlandschap als cultuurhistorisch sporenboek

Begin van de bewoning

Ongeveer 1000 jaar geleden vestigden de eerste permanente bewoners zich in de miedengebieden van de Noordelijke Wouden. Zij kwamen uit de kleistreek en trokken via de aanwezige veenriviertjes de veenmoerassen binnen. Met sloten en greppels werd de natte veengrond ontwaterd en zo tot bruikbare landbouwgrond gemaakt. Steeds verder werkte men zich het veengebied in. Deze pioniers legden de basis voor de huidige indeling van de dorpsgebieden en de verkaveling in lange stroken.

Afb 1
Eeuwenoude veenputten waaruit turf is gestoken kwamen recentelijk tevoorschijn in de Twijzelermieden. Door latere overstromingen zijn ze opgevuld met klei. Deze putten dateren waarschijnlijk uit de late Middeleeuwen.
Foto: J. van der Vaart (Fryske Akademy)

Opschuiving van de bewoning

De dorpskernen liggen nu op de hogere zandruggen, maar dat is vanaf het begin van de bewoning in Dantumadeel, Kollumerland en Achtkarspelen niet altijd zo geweest. In deze streek schoven de eerste nederzettingen vanuit de nu lager liggende miedengebieden op naar hogere grond, dus naar de zandruggen. Hoe weten we dat? In streken met vergelijkbare natuurlijke omstandigheden in Nederland en Noord-Duitsland is het zo gegaan. In de Mieden vinden we daarom hier en daar de sporen van vroegere bewoning: oude huisplaatsen en oude kerkhoven. Veldnamen zoals 'oud hof' en 'oud kerkhof' vormen aanwijzingen voor eerdere bewoning op plekken waar we dat tegenwoordig helemaal niet zouden verwachten. Immers in dat lage natte land kon je toch helemaal niet wonen? Toch is dat in de periode 1000 tot ruwweg 1400 wel zo geweest.

De laatste 600 jaar

Tegen het einde van de Middeleeuwen liggen de dorpen op hun huidige plek. De ontginning van het gebied in lange stroken is dan eigenlijk geheel voltooid. De laatste veen- en heidegebieden aan de grens van elk dorpsgebied worden ontgonnen Door inklinking van het veen en natuurlijk ook door afgraven van de bovenste veenlaag zijn de mieden dan al flink lager komen te liggen en vernat. Ze worden als hooiland gebruikt. Het betere weiland en het akkerland liggen nu dicht bij het lint van boerderijen op de zandrug. Omdat onder het hooiland van de Mieden nog steeds veen aanwezig is en er behoefte is aan brandstof, wordt in de achttiende en voor een deel ook nog in de negentiende eeuw turf gewonnen. Verlande petgaten, onder andere in de voormalige pingo's, maar ook wijken en kanalen zijn daarvan nog de zichtbare sporen.

Afb 2 De hoogtekaart toont duidelijk de met klei gevulde stroombedding van het riviertje dat ooit door de Zwagermieden liep. Vanuit dit stroompje werd het gebied in cultuur gebracht.
Illustratie: M. Kosian (ROB)

De Zwagermieden

Kenmerk van het tegenwoordige landschap van de Mieden is de grote openheid van laag gelegen weiland, afgewisseld met bosjes en ruige rietvelden van eerdere petgaten. Uit die petgaten is in de 19de en begin 20ste eeuw turf gewonnen. In de Zwagermieden werd eeuwen eerder ook al veen gegraven. Dit was een veengraverij waarbij van de bovenkant circa 75 cm tot het grondwaterniveau werd afgespit. In de 13de en 14de eeuw werd hier op grote schaal turf gewonnen voor het klooster van Dokkum. Zij had die brandstof nodig voor verwarming en voor bijvoorbeeld hun steenbakkerij. Na die turfgraverij bleef laag en nat land over dat eigenlijk alleen maar geschikt was als hooiland. De betere grond voor het vee en het bouwland lag hogerop bij het dorpslint met de boerderijen van Kollumerzwaag en Zwaagwesteinde.

Afb 3
Vanaf Drogeham liep ooit een tak van het veenriviertje Oude Ried noordwaarts. Een slingerend slootje bij het Nonnepad toont ons een spoor hiervan. Foto: J. van der Vaart (Fryske Akademy)
In de Zwagermieden, vooral in het deel dat tot het dorpsgebied van Kollumerzwaag behoort, vinden we nu nog het spoor van een riviertje dat ergens ten noorden van het huidige Zwaagwesteinde begon en dat oostwaarts tussen Westergeest en Triemen door in noordoostelijke richting afstroomde. Dit riviertje, waarvan de naam niet bekend is, tekent zich nu in het land af als een iets hoger gelegen rug van klei. Op de hoogtekaart is dat prachtig te zien (afb. 2). Ook slootjes hebben hier een kronkelend beloop. Op de grond is die rug vanaf de Miedwei goed zichtbaar. Voor de eerste kolonisten, die hier rond het jaar 1000 het grote veengebied in gebruik namen, was dat riviertje de ontginningsas, waarvandaan zij het veen introkken. Niet ver van dit vroegere stroompje lagen de eerste huissteden van de nederzetting die later Kollumerzwaag zou gaan heten. De oudste vermelding van Kollumerzwaag in documenten is ?Zwaech? en dateert van 1435. Toen was de bewoning al zuidwaarts opgeschoven naar de plek waar het dorp nu ligt. Zwaagwesteinde dankt zijn ontstaan als zelfstandig dorp aan de formele scheiding van de grietenijen Kollumerland en Dantumadeel in de late Middeleeuwen. De grens tussen deze twee grietenijen werd getrokken tussen Kollumerzwaag en de westelijke buurtschap van dat dorp, het Westeinde genaamd. In het vervolg hoorde Zwaagwesteinde tot Dantumadeel. Hoewel beide dorpen later als 'heidedorpen' bekend werden, mogen we niet vergeten dat zowel Kollumerzwaag als Zwaagwesteinde in oorsprong 'boerendorpen' waren.
Afb 4
Grondgebruik in de Hamstermieden in 1832: grotendeels weiland (groen), in het noorden door turfwinning vergraven land(groenblauw), verspreid op de hogere stukken enkele percelen bouwland (roze-wit) en enkele percelen bos (groen) nabij het Kolonelsdiep en langs de weg naar Kootstertille.
J. van der Vaart (Fryske Akademy)

Twijzelermieden, Polder Rohel en IJzermieden

In dit gebied vormt het voormalige riviertje de Oude Ried het uitgangspunt van de ontginning en de bewoning. Hier zitten we in de dorpsgebieden van het oude Augustinusga, Post en Twijzel. Hun vroege ontstaansgeschiedenis past ook weer in het model van de opschuivende nederzettingen van stroompje naar zandrug. Het slingerend beloop van de Oude Ried vinden we nu als een iets hoger liggende kleibaan, goed zichtbaar bij de Dykhuisterwei, de Oude Dijk en onder het Nonnepad. In het open weidegebied vallen de bosjes en rietpollen van de turfgraverijen uit de achttiende en negentiende eeuw duidelijk op. Hier en daar liggen er petgaten waaruit tot in het eerste kwart van de twintigste eeuw nog turf is gewonnen.

Bij de Tjoele zijn bewoningssporen met een oud kerkhof aangetroffen. Dat is waarschijnlijk de vroegste voorganger van het huidige Augustinusga. In de IJzermieden ligt ook een perceel dat oud kerkhof heet. Hier lag tot 1450 een dorp met de naam Sint Gangolfus, dat toen vanwege wateroverlast is opgeheven en onder Augustinusga werd gevoegd. Onlangs zijn aan de zuidkant van de Zandsloot middeleeuwse bewoningssporen gevonden van wat wel eens de vroege voorloper van het huidige Twijzel kan zijn. Archeologisch onderzoek binnen dit project moet nog uitwijzen of dat zo is.

Afb 5
De Homeer vanaf de Achterweg in noordoostelijke richting gezien, is de oude scheiding tussen de dorpsgebieden van Surhuizum en Augustinusga. Aan weerskanten van deze kaarsrechte lijn verschilt de richting van de verkavelingsstroken
Foto: J. van der Vaart (Fryske Akademy)

Surhuistermieden en Hamstermieden

In de Surhuistermieden vinden we meerdere verkavelingsrichtingen. Aan de noordkant van de Homeer, de historische scheidingsgreppel tussen de dorpsgebieden van Augustinusga en Surhuizum, is de verkavelingsrichting min of meer Noord-Zuid en bepaald door de ontginning vanuit de Oude Ried. De ontginning van het veenmoeras vanuit de Lauwers bepaalde de richting van de Surhuizumer verkaveling. Op de kaart zien we dat tussen deze twee verkavelingen een taartpunt ligt, die teruggaat op een iets anders gerichte ontginning, ook vanuit de Lauwers. Sporen van middeleeuwse bewoning vinden we in deze taartpunt dichtbij de Uiterweg. Kort geleden kon hier op basis van een oude veldnaam 'wurf' nog een tot nu toe onbekend woonterpje worden opgespoord.

Hoewel de Hamstermieden aan de noordkant sinds vele eeuwen worden begrensd door het Kolonelsdiep, is het goed te bedenken dat deze eigenlijk doorliepen tot aan de Oude Dijk en het Nonnepad. Op plekken waar de veenlaag voldoende dik was, is in de laatste eeuwen turf afgegraven. Het vergraven land in het noordelijke deel van de Hamstermieden is na 1930 opnieuw in cultuur gebracht en helemaal opnieuw verkaveld. Het valt op dat toen een verkavelingsrichting is aangehouden die haaks staat op de historische Noordoost-Zuidwest gerichte verkaveling.Boomsingels rond de percelen vormen op het hogere deel van de Hamstermieden een kenmerkend onderdeel van het landschap.