Archeologie en geologie in de Mieden

Het opsporen van archeologische gegevens binnen het project `Cultuurhistorie, mens en natuur' is gedaan met behulp van de archeologische database ARCHIS, eerdere onderzoeken in het gebied en gesprekken met lokale amateur-archeologen. Op deze manier is een beeld ontstaan van de vroegere bewoningsgeschiedenis van het Miedengebied. Het archeologisch onderzoek wordt medio 2006 afgerond. Hieronder kunt u lezen wat tot nu toe de resultaten zijn.

Talrijke pingo-ru´nes

Uit afzettingen gevormd tijdens de laatste ijstijd (100.000 - 10.000 jaar geleden) die momenteel aan het oppervlak liggen, zijn verschillende vindplaatsen uit de Steentijd bekend (18.000 - 10.000 jaar geleden). De oudste dateren uit het Jong-Paleolithicum. Uit deze periode dateren waarschijnlijk ook veel opvullingen van pingo-ru´nes. Dit zijn meertjes die ontstaan zijn door het afsmelten van grote ijslenzen in de bodem tijdens de laatste ijstijd (zie afb. 1).

Afb 1
Pingo-ru´nes zijn vaak nog als meertjes in het huidige landschap te herkennen. Dit voorbeeld bevindt zich in de Twijzelermieden.
Foto: J. van der Vaart (Fryske Akademy)

Afb 2
Een preparaat van fossiel stuifmeel uit de bodem geeft informatie over de vroegere begroeiing.

Op initiatief van de provinciaal archeoloog van Friesland zijn deze pingo-ru´nes voor de hele provincie ge´nventariseerd. Ook in het Miedengebied blijken ze talrijk voor te komen. Het zijn uitstekende natuurlijke archieven van fossiel stuifmeel (zie afb. 2). Daarmee kunnen de veranderingen in de begroeiing in het omringende landschap als gevolg van het opwarmende klimaat na de laatste ijstijd worden bestudeerd. Wellicht is de veenvorming zo lang doorgegaan, dat ook de komst van de eerste landbouwers in het gebied onderzocht kan worden.

Afb 3
Het huidige hoogveenlandschap met eenarig wollegras en beenbreek in de Hautes Fagnes (Belgische Ardennen) geeft een indruk van het landschap in het Miedengebied rond het begin van onze jaartelling.
Foto: O. Brinkkemper (ROB)

Vondsten Nieuwe Steentijd

Ook uit de Nieuwe Steentijd (5300 - 2000 v. Chr.) zijn vondsten in en rond het gebied bekend, die zowel geplaatst kunnen worden in het Vroeg, het Midden- als het Laat-Neolithicum. Met uitzondering van een enkele aardewerkscherf gaat het om vuursteenmateriaal. Deze ene scherf kan worden toegeschreven aan de Trechterbekercultuur (3400-2800 v.Chr.), in de volksmond hunebedbouwers genoemd. Bewoningssporen uit de latere prehistorie ontbreken in het gebied. De stijgende zeespiegel leidde ook landinwaarts tot een sterke stijging van de grondwaterspiegel. Hierdoor was het gebied na de Jonge Steentijd duizenden jaren lang te nat voor bewoning. Het gebied veranderde in een zeer uitgestrekt en vrijwel ontoegankelijk veenmoeras met broekbossen, zeggenvegetaties en hoogveengebieden (zie afb. 3)

Afb 4
Hoogtekaart van het Miedengebied, waarop in geel de hoger gelegen dekzandgronden zijn aangegeven en in groen de inbraakgeulen van de Lauwers.
Illustratie: M. Kosian (ROB)

Zee wint terrein in Vroege Middeleeuwen

Bijna drieduizend jaar later, tijdens de Vroege Middeleeuwen, brak de zee vanuit het steeds opener wordende zeegat van de Lauwerszee steeds dieper door in het Miedengebied. In de brede stroomdalen van de Lauwers en de Alde Ried sleep het woeste zeewater metersdiepe geulen uit en vulde deze vervolgens op met klei. Maar ook buiten deze geulen werd een vele decimeters dik pakket zware klei afgezet: de bekende 'knipklei'. Doordat de geulen zo diep zijn ingesneden in de Pleistocene zandgronden en zijn opgevuld met sedimenten die later weer zijn ingeklonken, zijn ze goed herkenbaar op de Algemene Hoogtekaart Nederland (zie afb. 4). Het Miedengebied bestond in die tijd dan ook uit een combinatie van een door zee-invloed gevormd getijdengebied en een hoogveenmoeras.

Bewoning en landbouw vanaf 10e-11e eeuw

Pas vanaf de 10e-11e eeuw van onze jaartelling zag de mens kans om dit natuurlandschap te gaan ontginnen. Vanuit de geulen van de Lauwers, Zwemmer en Alde Ried bereikte men het woeste veengebied, dat allereerst werd ontwaterd en vervolgens geschikt gemaakt werd voor bewoning en landbouw. De verkavelingspatronen zijn haaks op de geulen geori/nteerd. Opvallend genoeg houden ze niet op bij de randen van de klei-afzettingen, maar lopen ze door over de pleistocene gronden daarbuiten. Dit is een eerste aanwijzing dat deze pleistocene gronden destijds ook met sediment bedekt waren, waar nu niets meer van is terug te vinden. Het ontbreken van bewoning in (de loop van) de bronstijd tot de Late Middeleeuwen is te verklaren door aan te nemen dat het gebied toentertijd grotendeels (zo niet geheel) met (hoog)veen bedekt was.

Turfwinning

Tijdens de middeleeuwse ontginningen is waarschijnlijk veel van het destijds aanwezige hoogveen als turf voor brandstof gewonnen. De overgebleven onbruikbare resten (bolster) werden vermengd met het onderliggende pleistocene zand om de bodemstructuur voor agrarisch gebruik te verbeteren. Daarna zal het veen grotendeels geoxideerd zijn, waardoor het helaas ook niet meer ter beschikking staat als informatiebron over het landschap gedurende de late prehistorie tot de vroege middeleeuwen. De hoop is nu gevestigd op vroegmiddeleeuwse terpjes of dijken die op het nog aanwezige hoogveen zijn aangelegd.

Afb 5
Het waardestellende archeologische onderzoek op het Oude Kerkhof nabij de Tsjoelepleats. Het donkere grondspoor dwars in de proefsleuf is de onderkant van een greppel die rond het perceel lag. Uit de greppel kwam 12e eeuws kogelpot-aardewerk.
Foto: Jos St÷ver (ROB)

Cultuurhistorische ankerplaatsen

Een van de mogelijke locaties voor dit onderzoek is de 'Tsjoelepleats' en een nabijgelegen kerkplaats ten noorden van Augustinusga. Deze locaties, die samenhangen met de laatmiddeleeuwse voorganger van het huidige Augustinusga, zijn bekend uit historische bronnen en kunnen als cultuurhistorische ankerplaats van het Miedengebied worden gekarakteriseerd. Door middel van een waardestellend proefsleuvenonderzoek willen we nagaan welke informatie omtrent de middeleeuwse bewoningsgeschiedenis en het toenmalige landschap hier nog beschikbaar is (zie afb. 5). De daarbij gegenereerde gegevens over de ouderdom van beide locaties zal worden vergeleken met het onderzoek van historisch bronnenmateriaal om de (vroeg-) middeleeuwse bewoningsgeschiedenis van het Miedengebied nader te duiden.

Afb 6
Waterdrieblad (Menyanthes trifoliata) is ook in de Miedengebieden te vinden.
Foto: Altenburg & Wymenga

Geologie in de Mieden

In het kader van het geologisch onderzoek zal veen bemonsterd worden dat op de pleistocene ondergrond ligt. Doordat de top van het Pleistoceen op sterk wisselende diepten ligt, zal door de geleidelijke stijging van het grondwater in de loop van het Holoceen (de periode na de laatste ijstijd tot heden) de veenvorming eerst in de diepste delen op gang zijn gekomen. Dankzij het stijgende grondwater heeft het zich steeds verder uitgebreid. Met behulp van radiokoolstof-onderzoek kan vervolgens de NAP-hoogte tegen de datering van de aanvang van de veenvorming worden uitgezet in een zogeheten grondwatercurve. Met behulp van deze curve kan vervolgens de overveningsgeschiedenis van de pleistocene ondergrond in kaart worden gebracht. In dit kader wordt ook gekeken naar de plantenresten die nog in het veen bewaard zijn gebleven. Daarmee kan bepaald worden of het om veenplanten gaat die direct onder invloed van het grondwater groeiden, of dat het hoogveen is. Bij dit onderzoek is tot nu toe op veel plaatsen een matig voedselrijk veentype aangetroffen, met plantensoorten als rode wateraardbei en waterdrieblad (afb. 6) en veel verschillende bladmossen. Er komt plaatselijk echter ook eenarig wollegras voor, een typische hoogveenplant. Op basis van de grondwatercurve kan vervolgens bepaald worden welke delen van het landschap in een bepaalde periode van de prehistorie nog niet verdronken waren onder het grondwater.

Verder onderzoek

In oktober en november van dit jaar willen we met enkele archeologische opgravingen een beter beeld krijgen van de middeleeuwse bewoning in het Miedengebied. Zodra de resultaten daarvan beschikbaar zijn, zullen ze op deze website worden opgenomen. Daarnaast houden we u graag op de hoogte van de verdere ontwikkelingen rond het geologische en botanische onderzoek om de voortschrijdende overvening van het Miedengebied in kaart te brengen.